Meer
Publicatiedatum: 15-06-2020

Inhoud

Programma onderdelen

Perspectiefnota 2021 (inclusief eerste programmajournaal 2020)

Opbouw van het hoofdstuk

Opbouw van het hoofdstuk

Om een gestructureerd beeld te geven van de opbouw en het verloop van het meerjarige saldo volgen we onderstaande opzet:

 

Allereerst ziet u in paragraaf 1 het beginsaldo van deze perspectiefnota (incl. 1e programmajournaal 2020) weergegeven. Dit saldo vindt zijn oorsprong in de programmabegroting 2020 en vormt de basis waarmee verder wordt gewerkt.

 

In paragraaf 2 schetsen we de mutaties op de uitvoering van het bestaande beleid of al eerdere besluitvorming. Feitelijk hebben we het hier over het financiële deel van het eerste programmajournaal 2020.

 

In paragraaf 3 brengen we in beeld wat het doorvoeren van de mutaties op basis van bestaand beleid betekenen voor het herziene meerjarige saldo. Ook dit deel heeft betrekking op het financiële deel van het eerste programmajournaal 2020.

 

In het volgende onderdeel van deze paragraaf treft u een aantal specifieke mutaties. Het betreft hier mutaties die wat verder gaan dan het bestaande (en dus vastgestelde beleid) en die door hun omvang en mogelijke bestuurlijke impact wel een specifieke plek met beschrijvende toelichting verdienen. Hoewel de daadwerkelijke invloed op dit soort specifieke mutaties vaak niet erg groot is er wel degelijk een stukje keuzevrijheid.

Dit deel is uitdrukkelijk richtinggevend en behoort dus tot de perspectiefnota. In stemmen met deze denkrichtingen wil zeggen dat u als raad het college opdracht geeft deze denkrichtingen verder uit te werken en te betrekken bij het opstellen van de begroting 2021 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt.

 

Paragraaf 5 geeft een richtinggevende doorkijk van het herziene meerjarige saldo waarbij de financiële consequenties van de richtingen betreffende de specifieke mutaties zijn door vertaald. 

In paragraaf 6 treft u onze (richtinggevende) voorstellen aan voor wat betreft nieuw beleid / intensivering van beleid  en de actualisatie MAT.

Tot slot geven we in paragraaf 7 een overzicht van de incidenteel beschikbare algemene middelen waaronder de (belangrijkste) reserves. Hier is rekening gehouden met zowel de financiële consequenties uit het eerste (financiële) programmajournaal 2019 als ook de doorrekening van de denkrichtingen.

 

De uitgangspunten in paragraaf 8 betreffen een opsomming van een aantal algemene uitgangspunten die van toepassing zijn voor het opstellen van de begroting 2021.

1. Meerjarig saldo begroting 2020

Meerjarig saldo begroting 2020

Zoals u van ons gewend bent, zoeken we in elk van de P&C documenten in financiële zin aansluiting bij het laatst vastgestelde document. Voor de perspectiefnota 2021 betekent dit dat we aansluiting zoeken bij het saldo van de begroting 2020.

 

(bedragen x €1.000) 2020 2021 2022 2023 2024
Herzien meerjarig saldo begroting 2020 -280 9 14 213 514
Onttrekking aan algemene reserve 280 0 0 0 0
Herzien meerjarig saldo begroting 2020 0 9 14 213 514

2. Mutaties bestaand beleid (eerste programmajournaal 2020)

Mutaties bestaand beleid

In deze paragraaf treft u een overzicht aan van de verschillende mutaties op basis van bestaand beleid. Dit kunnen autonome ontwikkelingen zijn of zaken waarover reeds besluitvorming heeft plaats gevonden. De autonome ontwikkelingen vinden vooral hun oorsprong in de jaarrekening 2019 en in de ervaringscijfers over de eerste 3 maanden 2020.

Mutaties (bedragen x €1.000) 2020 2021 2022 2023 2024
Algemene uitkering          
- Mutatie algemene uitkering decembercirculaire 112 43 2 -39 -80
- Uitstel herverdeling gemeentefonds 0 50 0 0 0
Sociaal domein 10 38 114 145 230
Voorziening pensioenen wethouders -74 -74 -74 -74 -74
Besparingsverlies -30 -30 -30 -30 -30
Lokaal sportakkoord 0 0 0 0  
Onderwijshuisvesting          
- Stelpost Integraal HuisvestingsPlan (IHP) 100 100 -47 -47 -47
- Stelpost prijscompensatie 0 0 47 47 47
Glashoes t.l.v. stelpost 0 0 0 0 0
Geluidsinstallatie raadszaal -15 -15 -15 -15 15
BTW 90 90 90 90 90
Verbonden partijen          
- Noaberkracht 105 0 0 0 0
- Regio Twente 0 -41 -41 -41 -41
- Veiligheidsregio Twente 0 13 13 13 13
- Omgevingsdienst Twente 0 -7 -7 -7 -7
- Inzet stelpost verbonden partijen 0 75 75 75 75
Overige kleine mutaties -59 -26 -26 -26 -26
Totaal mutaties bestaand beleid 239 216 101 91 135

 

Algemene uitkering

De financiële gevolgen van de decembercirculaire 2019 zijn in beeld gebracht en door vertaald. Het betreft hier vooral een aantal aanpassingen van de maatstaven en de gewichten en een bijstelling van onze stelposten voor loon- en prijscompensatie.

 

Inmiddels is ook bekend geworden dat de herverdeling gemeentefonds met in ieder geval 1 jaar is uitgesteld. Dit betekent dat we de, bij de begroting opgenomen stelpost voor het jaar 2021 ten bedrage van € 50.000 op incidentele basis kunnen laten vrijvallen. Bij het onderdeel specifieke mutaties komen we terug op de mogelijke gevolgen van de herverdeling gemeentefonds.

 

Sociaal domein

Hieronder is een specificatie aangegeven van de belangrijkste mutaties binnen het sociaal domein met de bijbehorende toelichting. De mutaties zijn met name structurele doorwerkingen uit de jaarstukken 2019.

 

2020

2021

2022

2023

2024

Leerlingenvervoer

-50

-50

-50

-50

-50

Bijstand

-229

-255

-261

-219

-164

Sociale Werkvoorziening

-164

-130

-48

-59

-29

Participatie en re-integratie

20

20

20

20

20

Wmo – hulpmiddelen

71

88

88

88

88

Twents model – uitvoeringskosten

-25

-25

-25

-25

-25

Wmo – huishoudelijke ondersteuning

85

85

85

85

85

Wmo – ondersteuning individueel

105

105

105

105

105

Wmo – ondersteuning groep

200

200

200

200

200

Kleine wijzigingen

-2

0

0

0

0

Jeugdzorg – POH ggz besparing

145

0

0

0

0

Jeugdzorg – uitvoeringsplan

-145

0

0

0

0

Totaal sociaal domein

10

38

114

145

230

 

Leerlingenvervoer

Het nadeel in de jaarstukken 2019 met betrekking tot leerlingenvervoer kent een structurele doorwerking. Daarnaast is de NEA-indexatie 2020 berekend op 6,7%, deze indexatie is fors hoger dan voorgaande jaren en het percentage dat is meegenomen in de raming voor het jaar 2020 (2,2%). In 2017, 2018 en 2019 stegen de kosten met respectievelijk 0,3%, 2% en 2,2%. Deze kostenstijging wordt veroorzaakt door stijging van lonen, hogere kosten voor verzekeringen, afschaffing van de teruggaveregeling bpm (belasting van personenauto’s en motorrijwielen) per 1 januari 2020 en het in werking treden van de Wet Arbeidsmarkt in Balans (WAB).

 

Vanuit het uitvoeringsplan sociaal domein starten we medio 2020 met een verkenning van de maatregelen inzake leerlingenvervoer met een analyse op de kosten en welke andere mogelijkheden er eventueel zijn.

 

Bijstandsuitkeringen

Het betreft hier mutaties op zowel de inkomsten als uitgaven met betrekking tot de bijstandsuitkeringen.

 

De gebundelde uitkering in de begroting 2020 is gebaseerd op de gegevens uit de meicirculaire 2019. In oktober 2019 is het definitieve budget voor 2019 bekend gemaakt, evenals het voorlopige budget 2020. Daarnaast heeft het Rijk aangekondigd dat het macrobudget in 2020 naar beneden bijgesteld gaat worden als gevolg van een aanpassing van de werkloosheidsramingen van het Centraal Plan Bureau (CPB).

 

2020

2021

2022

2023

2024

                  -204

-228

-234

-219

-164

 

Er zijn drie mutaties m.b.t. de bijstand uitgaven uit de jaarstukken die meerjarig doorwerken:

  1. Met ingang van 1 januari 2020 valt het levensonderhoud van de gevestigde zelfstandige ondernemers onder de gebundelde uitkering (i.p.v. doeluitkering Bbz). Met deze wijziging is de financieringssystematiek voor alle zelfstandige ondernemers gelijkgetrokken, aangezien startende ondernemers al langer onder de gebundelde uitkering vallen. De raming voor het levensonderhoud van zelfstandige ondernemers (gevestigde ondernemers + startende ondernemers) was € 25.000, op basis van de jaarstukken verhogen we deze raming naar € 45.000. Daarnaast is de aflossing die wordt ontvangen van deze ondernemers lager dan de raming, dit zorgt voor een structureel nadeel van € 5.000. Per saldo betekent dit een structureel nadeel van € 25.000.
  2. De raming voor de bijstandsuitkeringen Participatiewet, IOAW en IOAZ is gebaseerd op een gemiddelde van 133 uitkeringen, op basis van het jaar 2019 en een uitstroom in 2020 gaan we uit van 132 uitkeringen (met een ondergrens van 120 uitkeringen in 2023). Daarnaast zit er een klein verschil in de hoogte van de gemiddelde uitkering.
  3. Door de uitstroom in het aantal bijstandsuitkeringen verstrekken we meer loonkostensubsidies voor garantiebanen. Daarnaast is rekening gehouden met een oplopende taakstelling van 1 fte nieuw beschut voor 2020, echter is de taakstelling voor de gemeente Tubbergen in 2020 niet verhoogd. Ook heeft een mutatie plaatsgevonden i.v.m. de pensionering van een WIW’er. Per saldo een mutatie op de loonkostensubsidies van € 11.000 nadelig.

 

Per saldo wordt voor het jaar 2020 een tekort op de gebundelde uitkering verwacht van ca. € 24.000. Dit tekort is niet hoog genoeg om een vangnetuitkering aan te vragen.

 

Sociale werkvoorziening

De mutatie op de sociale werkvoorziening kent een tweetal componenten, enerzijds de exploitatiebijdrage en anderzijds de rijksbijdrage per arbeidsjaar (subsidie-eenheid aan die gekoppeld is aan een fte Wsw, waarop mede de hoogte van het Wsw-deel in de rijksvergoeding wordt gebaseerd).

 

De bijdrage in het exploitatietekort is in de begroting van de gemeente Tubbergen opgenomen op basis van de BBV-begroting 2020 van GR SOWECO. Hierna zijn er een tweetal wijzigingen geweest:

  1. De begroting 2020 na wijziging is in november 2019 ontvangen, hierin wordt de gemeentelijke bijdrage verhoogd (€ 34.000 nadeel). Deze wijziging heeft meerdere oorzaken, met name de stijgende lasten als gevolg van de bestuurlijke ontwikkelingen en de afname van de verhuuropbrengsten van derden (door verkoop van divers onroerend goed) veroorzaken deze wijziging. Dit nadeel is structureel.
  2. De BBV-begroting 2021 is in maart 2020 ontvangen, hierin wordt de gemeentelijke bijdrage verhoogd (ten opzichte van de gemeentelijke begroting). De exploitatiebijdrage stijgt met € 27.000 in 2021, € 43.000 in 2022, € 68.000 in 2023 en € 38.000 in 2024. Echter, de BBV-begroting 2021 van GR SOWECO is gebaseerd op cijfers uit de septembercirculaire 2019, gezien de ervaringscijfers over de afgelopen jaren is het aannemelijk dat de rijksbijdrage per arbeidsjaar in 2021 hoger zal zijn dan GR SOWECO nu opneemt in haar begroting, waardoor de gemeentelijke bijdrage lager zal zijn. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij het ramen van realistische uitgaven nemen we een stelpost op, uitgaande van een verhoging van 2% van de rijksbijdrage in 2021 ten opzichte van de septembercirculaire 2019. Deze aanname is aan de voorzichtige kant, gezien de werkelijke ophoging de afgelopen jaren tussen de 6 en 8% lag. Met GR SOWECO is overeengekomen dat het positieve resultaat o.b.v. subsidieverhoging in 2021 wordt uitgekeerd aan de gemeenten. Dit zorgt voor een structureel voordeel van € 37.000.

 

In de septembercirculaire 2019 is de rijksbijdrage per arbeidsjaar verhoogd van € 25.150 naar € 25.300 voor het jaar 2020. Dit is budgettair neutraal voor de gemeente Tubbergen, gezien we deze bijdrage van het Rijk krijgen en doorbetalen aan GR SOWECO. Er zit echter een verschil in het aantal AJ waar in de begroting 2020 van de gemeente Tubbergen van is uitgegaan (als lasten raming) en de werkelijke situatie bij GR SOWECO. Dit zorgt voor een structurele mutatie. Dit is een aanpassing van de gemeentelijke uitgavenraming, ten opzichte van de subsidie die van het Rijk wordt ontvangen kent de gemeente Tubbergen een voordeel (uitstroom waar het Rijk mee rekent vs. de lokale situatie veroorzaakt dit verschil).

 

Participatie en re-integratie

Het voordeel op de post participatie en re-integratie heeft o.a. te maken met mutaties met betrekking tot de WIW’ers en loonwaarde metingen die opnieuw zijn uitgevoerd voor het bepalen van de inleenvergoeding.

 

Hulpmiddelen

Vanaf 2019 hebben we structureel rekening gehouden met een instroom op de hulpmiddelen als gevolg van de aanzuigende werking van het abonnementstarief Wmo. Door de lagere instroom ontstaat een voordeel op hulpmiddelen van € 71.000 in 2020 en € 88.000 vanaf 2021. Het verschil tussen 2020 en 2021 wordt veroorzaakt door een wijziging in de incidentele opbrengst (2019 en 2020) van de overname van het bestand uitstaande hulpmiddelen door de leveranciers.

 

Twents model

De implementatie en uitvoering van het Twents model brengt structurele kosten met zich mee. Dit zijn bijvoorbeeld juridische kosten, extra inzet m.b.t. het barrièremodel, de Twentse Monitor Sociaal Domein, enz. Deze kosten worden doorberekend aan de gemeenten na besluitvorming in de bestuurscommissie van het OZJT (Organisatie voor Zorg & Jeugdhulp Twente). In eerste instantie gaan we uit van een extra last van € 25.000 structureel.

 

Huishoudelijke ondersteuning

De mutatie op huishoudelijke ondersteuning bestaat uit meerdere ontwikkelingen:

  1. De doorwerking van de jaarcijfers 2019 zorgt voor een structurele verlaging van de uitgaven van € 153.000 gezien er minder instroom is geweest in 2019 dan verwacht.
  2. In 2020 is opnieuw rekening gehouden met een instroom van ca. 50 cliënten. Op basis van de cijfers van 2019 verwachten we geen instroom van 50 cliënten, maar stellen we deze met 10 cliënten naar beneden bij. Dit zorgt voor een voordeel van ca. € 25.000.
  3. De Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) reële kostprijs is sinds 1 juni 2017 van kracht. Op grond van deze AMvB zijn gemeenten en aanbieders gehouden een reële kostprijs te berekenen aan de hand van de in de AMvB genoemde kostprijselementen, waaronder toepassing van de relevante cao-verpleging verzorging en thuiszorg (VVT). De AMvB verplicht gemeenten rekening te houden met de geldende cao en de daaruit vloeiende loonontwikkelingen. Voor het jaar 2020 betekent dit een tariefstijging van 5,25% voor huishoudelijke ondersteuning ten opzichte van 2019. Dit levert een nadeel op van € 96.000.

 

Wmo ondersteuning individueel

De mutatie op individuele ondersteuning betreft een doorwerking van de jaarcijfers 2019 en een doorrekening op basis van de nieuwe tarieven over het jaar 2020.

  • Het gemiddeld aantal indicaties gelijk is aan de begroting, maar gezien aan het einde van het jaar een instroom is waar te nemen, houden we een hoger aantal indicaties aan. Daarentegen is de gemiddelde hoogte van de indicatie lager dan begroot. In 2019 hebben herindicaties plaatsgevonden, waardoor bekend is welke ondersteuningsbehoefte en daar bijbehorende tarieven van toepassing zijn op de indicaties. Hierdoor kunnen we de berekening op basis van een gemiddelde inschatting loslaten. De verwachting was dat relatief veel van onze cliënten in ondersteuningsbehoefte 2 (ondersteuning met regie, de duurdere vorm van ondersteuning) terecht zouden komen, daardoor is meerjarig gerekend met een hoger gemiddeld uurtarief dan in werkelijkheid het geval is. Eind 2019 blijkt namelijk dat 60% van de indicaties ondersteuningsbehoefte 1 betreft en 40% ondersteuningsbehoefte 2. Dit betekent een voordeel van € 125.000 structureel als gevolg van een structurele doorwerking uit de jaarcijfers.
  • In 2020 zijn de tarieven met ca. 3% geïndexeerd, dat zorgt voor een nadeel van € 20.000 structureel.

 

Wmo ondersteuning groep

De mutatie op groepsondersteuning betreft een doorwerking van de jaarcijfers 2019, een behaalde besparing op het uitvoeringsplan sociaal domein en een doorrekening op basis van de nieuwe tarieven over het jaar 2020.

  • Het gemiddeld aantal indicaties lager is dan begroot en waar de gemiddelde hoogte van de indicatie lager is dan begroot. Daarnaast hebben in 2019 herindicaties plaatsgevonden, waardoor bekend is welke ondersteuningsbehoefte en bijbehorende tarieven van toepassing zijn op de indicaties. Hierdoor kunnen we de berekening op basis van een gemiddelde inschatting loslaten. De verwachting was dat relatief veel van onze cliënten in ondersteuningsbehoefte 2 (ondersteuning met regie, de duurdere vorm van ondersteuning) terecht zouden komen, daardoor is meerjarig gerekend met een hoger gemiddeld uurtarief dan in werkelijkheid het geval is. Eind 2019 blijkt dat 80% van de indicaties ondersteuningsbehoefte 1 betreft en 20% ondersteuningsbehoefte 2. Dit betekent een voordeel van € 312.000 structureel.
  • In 2020 zijn de tarieven met ca. 3% geïndexeerd, dat zorgt voor een nadeel van structureel € 22.000.

 

Een analyse op de uitgestroomde cliënten laat zien dat een gedeelte van het voordeel op Wmo groepsondersteuning is behaald doordat al een geruime tijd aandacht is voor de scheiding tussen de Wmo en Wlz, o.a. door het geven van voorlichting tussen de Wmo en Wlz bij thuiszorgorganisaties (ca. €90.000). Deze inspanning is opgenomen in het uitvoeringsplan sociaal domein en voeren we uit om te zorgen dat de doorstroom van zorg, hulp en ondersteuning tussen de verschillende wet- en regelgeving soepel verloopt. Hierdoor is een gedeelte van de beoogde besparing van het uitvoeringsplan sociaal domein in 2020 behaald. Deze besparing kent een structurele doorwerking.

 

Jeugdzorg

In 2019 zijn we in Tubbergen gestart met de pilot praktijkondersteuner huisartsen in de huisartsenpraktijk, een inspanning uit het uitvoeringsplan sociaal domein. De praktijkondersteuners verbreden de expertise van de huisartsenpraktijk, waardoor meer passende doorverwijzingen mogelijk zijn. Daarnaast kunnen de praktijkondersteuners de jongeren helpen zonder doorverwijzing. De eerste resultaten van de pilot laten zien dat er in 2019 minder doorverwijzingen zijn geweest door de inzet van de praktijkondersteuner en dus dat meer patiënten wel zouden worden doorverwezen als er geen praktijkondersteuner zou zijn geweest. Dat houdt in dat deze jeugdigen geen maatwerkvoorziening jeugdhulp nodig hebben gehad.

 

In 2019 heeft dat ca. €145.000 aan besparing opgeleverd m.b.t. jeugdhulp (start mei, o.b.v. geschatte gemiddelde kosten per traject). De inzet van de praktijkondersteuner huisartsen wordt ook in 2020 gecontinueerd. De uitgavenraming jeugdhulp wordt daarom met € 145.000 naar beneden bijgesteld voor 2020, deze besparing wordt toegerekend aan het uitvoeringsplan sociaal domein. Indien na de evaluatie van de pilot wordt besloten tot structurele inzet van de praktijkondersteuners, is een structureel budget nodig voor de inzet van deze praktijkondersteuners en kan ook de besparing structureel worden gerealiseerd.

 

Voorziening pensioenen wethouders

Uit de jaarverantwoordingen van de laatste jaren blijkt dat onze jaarlijkse storting in de voorziening pensioenen wethouders structureel te laag is. Aangezien het hier structurele lasten betreft moeten we ook zo goed mogelijk zorgen voor structurele dekking. Met de voorgestelde ophoging komen we op een structurele storting van € 200.000.

 

Besparingsverlies

Een van de denkrichtingen om structurele begrotingsruimte te zoeken had betrekking op onderwijsachterstandenbeleid en leerlingenvervoer. Wij hebben aangegeven te onderzoeken welke ombuigingsmogelijkheden hier liggen. Daarbij hebben wij ook aangegeven rekening te houden met de relatie die deze ombuiging mogelijk heeft met het interventieplan/ uitvoeringsplan. Inmiddels is duidelijk geworden dat het niet realistisch is deze ombuigingsmaatregel in te vullen. Enerzijds door het waardevolle preventieve karakter van de verschillende activiteiten in het kader van de onderwijsachterstanden en anderzijds door de oplopende kosten van het leerlingenvervoer op basis van bestaand beleid. Daarnaast wordt in het uitvoeringsplan sociaal domein ook in een breder kader gekeken naar het (leerlingen)vervoer.

 

Lokaal sportakkoord

In het kader van het opstellen van het Lokaal Sportakkoord is in 2019 een bijdrage aangevraagd van € 15.000 voor het aanstellen van een onafhankelijke sportformateur. De sportformateur begeleidt het proces om te komen tot een Lokaal Sportakkoord. Het Lokaal Sportakkoord van de gemeente Tubbergen dient voor 28 juni te worden aangeboden bij het ministerie. Voor 2020 en 2021 ontvangt de gemeente een uitvoeringsbudget van € 20.000 per jaar. In samenspraak met de partijen binnen het Lokaal Sportakkoord zal invulling worden gegeven aan dit uitvoeringsbudget.

 

Onderwijshuisvesting

In meerjarig perspectief hebben wij met als basis het, door de raad vastgestelde, Integraal Huisvestings Plan (IHP) Onderwijshuisvesting uit 2017 een meerjarige stelpost kapitaallasten opgenomen. Gezien de laatste ontwikkelingen verwachten we niet dat er in 2020 zal worden begonnen met bouwen en er dus geen lasten zullen optreden in 2020 en 2021. Dat betekent dat de stelposten op incidentele basis kunnen vrijvallen. Wel moeten de stelposten, die zijn gebaseerd op prijspeil 2017 verder worden geïndexeerd. Dekking hiervoor vinden we in de stelpost prijscompensatie.

 

Glashoes

Een stuk besluitvorming uit het raadsvoorstel van medio 2019 betreffende de glashoes is kon niet worden verwerkt in de perspectiefnota 2020 om de simpele reden dat deze twee zaken elkaar in tijd hebben gekruist. Het betreft hier een structureel budget van € 11.000 dat ten laste van de stelpost moest worden gebracht. Dat doen we nu.

 

Geluidsinstallatie raadszaal

Het bestuur van Noaberkracht heeft besloten de lasten van de investering betreffende de geluidsinstallatie raadszaal Tubbergen over te hevelen van de begroting van Noaberkracht naar de begroting van Tubbergen.  Daar staat tegenover dat eenzelfde soort investering betreffende de raadszaal van Dinkelland ook niet ten laste van de begroting van Noaberkracht maar ten laste van de begroting van Dinkelland komt.  

 

Btw

In mei 2017 hebben wij naar de Belastingdienst een brief gestuurd waarin wij verzocht hebben om over de jaren 2013 t/m 2016 een aantal btw bedragen alsnog in aftrek te mogen brengen. Dit onder andere op basis van wijziging in de systematiek van aftrek btw op de algemene kosten en de kosten van het ambtelijk apparaat en recente jurisprudentie m.b.t. WMO Na veelvuldig overleg met de Belastingdienst zijn we op alle onderdelen in het gelijk gesteld. Per saldo heeft het bezwaarschrift geleidt tot een eenmalige teruggave van in totaal € 674.000 inclusief belastingrente

 

Dit bedrag hebben wij verwerkt in de jaarrekening 2019. De wijziging in de systematiek van aftrek op de algemene kosten en de kosten van het ambtelijk apparaat (via het zogenaamde mengpercentage) heeft een structureel effect. In afwachting van de besluitvorming op het bezwaarschrift 2012 t/m 2016 hebben wij in de afgelopen periode pro forma bezwaarschriften ingediend voor de jaren 2017 en 2018. Nu met de Belastingdienst overeenstemming is bereikt over de uitgangspunten, hebben wij met de Belastingdienst afgesproken dat uiterlijk 1 september de nadere motivatie wordt ingediend met de daarbij behorende bedragen. Daarbij zullen wij ook het jaar 2019 betrekken. Het resultaat over de jaren 2017 t/m 2019 nemen wij mee in het tweede programmajournaal. Voor 2020 en volgende jaren ramen wij het structureel effect vooralsnog op € 90.000 per jaar

 

Verbonden partijen

Noaberkracht

De bijdrage aan Noaberkracht is gebaseerd op de vastgestelde begroting 2021 van Noaberkracht. In de meerjarenbegroting van de gemeente Tubbergen kunnen de meerjarige lasten van deze begroting worden opgevangen.

 

In 2020 is er wel sprake van een incidentele meevaller van € 105.000. Deze wordt veroorzaakt doordat in de jaarverantwoording 2019 van Noaberkracht een bedrag aan niet besteed procesgeld is uitgekeerd aan de beide deelnemende gemeenten. Het bedrag waar hierover wordt gesproken is het aandeel van de gemeente Tubbergen daarin.

 

Omgevingsdienst Twente (ODT)

Het gemeentelijke aandeel in de begroting 2021 van de Omgevingsdienst Twente is geraamd op €12,2 miljoen. De gemeentelijke bijdrage is ten opzichte van de begroting 2020 met ongeveer €1,1 miljoen toegenomen. Deze toename is vooral ontstaan door loon- en prijsindexatie. Het aandeel van de gemeente Tubbergen hierin bedraagt €344.085.

 

De bijdrage aan de ODT is voor 2021 €7.405 hoger dan begroot. Deze verhoging wordt veroorzaakt door loon- en prijsindexatie. Voor loon- en prijsindexatie is in de begroting van Tubbergen een stelpost opgenomen. De verhoging van de bijdrage kan verrekend worden met deze stelpost.

 

Veiligheids Regio Twente (VRT)

Het totale gemeentelijke aandeel in de begroting van de VRT is geraamd op €46,8 miljoen. De totale gemeentelijke bijdrage is ten opzichte van de begroting 2020 met ongeveer €1,5 miljoen toegenomen. €1,2 miljoen vanwege de loon- en prijscompensatie, berekend volgens de vastgestelde financiële uitgangspunten en € 0,3 miljoen op basis van het besluit van het algemeen bestuur op 9 juli 2018 over financiële knelpunten op middellange termijn. De bijdrage 2021 wordt voor Tubbergen € 1.624.208. Dit is € 36.939 hoger dan 2020 en € 13.182 hoger dan begroot voor het jaar 2021. Deze verhoging wordt deels veroorzaakt door de Cebeon-mutatie en deels door loon- en prijsindexatie. Voor loon- en prijsindexatie is in de begroting van Tubbergen een stelpost opgenomen. De verhoging van de bijdrage aan de VRT door loon- en prijsindexatie van € 41.432 kan verrekend worden met deze stelpost. De resterende meevaller van €54.614 komt dan ook ten gunste van het saldo van de begroting van de gemeente Tubbergen.

 

Regio Twente  

Het aandeel gemeentelijke bijdrage is geraamd op € 34,7 miljoen (2020: € 33,3 miljoen), dat is 37% van de totale baten van de Regio Twente. De totale gemeentelijke bijdrage is ten opzichte van de gewijzigde begroting 2020 met € 1,25 miljoen toegenomen. De gemeentelijke bijdrage voor Tubbergen voor 2021 is geraamd op € 1.219.000 (2020 was € 1.178.000). Dit betekent een stijging van € 41.000.

 

Deze verhoging wordt veroorzaakt door loon- en prijsindexatie. Voor loon- en prijsindexatie is in de begroting van Tubbergen een stelpost opgenomen. De verhoging van de bijdrage aan de Regio Twente kan voor een deel worden verrekend met deze stelpost.

 

Stelpost loon- en prijscompensatie verbonden partijen

De extra bijdragen als gevolg van loon- en prijsindexatie zijn in totaal € 88.837. In de begroting van Tubbergen is een stelpost opgenomen voor loon- en prijsindexaties bij verbonden partijen ter hoogte van €75.000.

 

Overige kleine verschillen

Het betreft hier een verzameling van meerdere kleine verschillen.

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met de aangegeven en toegelichte mutaties op basis van bestaand beleid (feitelijk het 1e programmajournaal 2020) en deze te verwerken in het herziene meerjarige saldo

3. Herzien meerjarig saldo na mutaties bestaand beleid (eerste programmajournaal 2020)

Herzien meerjarig saldo na mutaties bestaand beleid (eerste programmajournaal 2020)

Rekening houden met de mutaties bestaand beleid zoals in de vorige paragraaf beschreven en toegelicht ontstaat het volgende herziene meerjarige saldo:

 

Omschrijving 2020 2021 2022 2023 2024
Herzien meerjarig saldo begroting 2020 -280 9 14 213 514
Onttrekking aan algemene reserve 280 0 0 0 0
Totaal mutaties bestaand beleid 239 216 101 91 135
Herzien meerjarig saldo na mutaties 239 225 115 304 649

 

Conclusies herzien meerjarig saldo na mutaties bestaand beleid

Zoals uit de tabel over het herziene meerjarige saldo na mutaties valt af te lezen hebben we te maken met een sluitend meerjarenperspectief.

 

Voor een juiste interpretatie van de cijfers en om het herziene meerjarige saldo in de juiste context te zien moeten wel de volgende opmerkingen worden geplaatst. In dit herziene meerjarige saldo op basis van bestaand beleid is uitgegaan van:

  • Volledige invulling uitvoeringsplan sociaal domein (voorheen transformatieplan). Rekening houdend met de reeds gerealiseerde invullingen en de voorstellen uit dit eerste programmajournaal 2020 resteert nog een taakstelling van € 46.000 in 2020 tot een structureel bedrag van € 361.000 vanaf 2022.
  • Voor de jaren 2022 en 2023 gaan we, vooruitlopend op de uitkomsten van het onderzoek, uit van het doortrekken van de extra rijksvergoeding voor de jeugdzorg van € 300.000 per jaar.
  • Volledige invulling van de opbrengsten op grond van ombuigingsmaatregelen gebaseerd op de denkrichtingen uit de perspectiefnota
  • Het halveren van de stelposten voor nieuw beleid.

 

In dit herziene meerjarige saldo op basis van bestaand beleid is echter (nog) geen of onvoldoende rekening gehouden met de volgende twee ontwikkelingen:

  • Herijking verdeling gemeentefonds
  • Gevolgen Corona

 

In de volgende paragraaf geven wij een beschrijving van beide ontwikkelingen samen met de mogelijke financiële gevolgen, de keuzes die we daarin als gemeente hebben en het voorstel van ons als college.  

4. Specifieke mutaties

Inleiding

In deze paragraaf staan we stil bij ontwikkelingen die verder gaan dan het bestaande (dus vastgestelde) beleid maar wel degelijk omvangrijke financiële consequenties (kunnen) hebben en ook zeker gezien de politiek bestuurlijke impact de nodige toelichting behoeven. Daarnaast bestaat er een bepaalde mate van keuzevrijheid. Zoals in de vorige paragraaf is aangegeven hebben we in deze perspectiefnota te maken met de volgende twee ontwikkelingen die we scharen onder de zogenaamde specifieke mutaties:

  • Herijking verdeling gemeentefonds
  • Gevolgen Corona

Herijking verdeling gemeentefonds

Het Rijk werkt samen met de VNG aan een herijking van de verdeling van het gemeentefonds. Deze herijking moet leiden tot een toekomstbestendige verdeling met als uitgangspunten stabiliteit, vereenvoudiging en uitlegbaarheid. Deze herijking was in eerste instantie opgedeeld in de volgende twee onderdelen

  • Sociaal domein
  • Het klassieke deel

 

Als onderdeel van de herijking van het klassieke deel is ook de inkomstenverevening benoemd. Gaandeweg bleek dat deze inkomstenverevening dermate belangrijk kan zijn in de totale herijking dat vanaf medio 2019 feitelijk wordt gesproken over drie onderdelen.

 

In totaliteit heeft deze herijking betrekking op een totaalbedrag van € 30 miljard. Invoering van de nieuwe verdeling is voorzien in 2021.

 

Zoals we in de begroting 2020 hebben aangegeven zien wij op grond van eerdere ervaringen met herverdelingen van rijksmiddelen een (financieel) risico. De laatste herverdelingen van rijksmiddelen hebben namelijk voor kleine(re) gemeenten en dan vooral in het oosten van het land vaak negatief uitgepakt. Vandaar dat wij u hebben voorgesteld om met ingang van het jaar 2021 (ingang van de herverdeling) rekening te houden met een meerjarig nadelig effect.

 

Toen begin 2020 de eerste contouren van deze herijking naar buiten kwamen heeft het Rijk, gezien de omvang van de herverdeeleffecten, besloten een nader onderzoek te doen en de ingangsdatum uit te stellen. De eerste herverdeeleffecten lieten namelijk een substantiële verschuiving van gelden zien van kleine naar grote gemeenten, van plattelandsgemeenten naar gemeenten met een centrumfunctie en van gemeenten in het oosten van het land naar gemeenten in het westen van het land. Voor onze gemeente geen gunstige ontwikkeling. Hoewel nog niet duidelijk is wat de exacte gevolgen van de herijking zullen zijn verwachten wij wel dat we nadeel gemeente zullen zijn en dat het rijk zal vasthouden aan het ingangsjaar 2022. Dit heeft ons doen besluiten u voor te stellen om aanvullende ruimte in onze meerjarenbegroting te reserveren die overeenkomt met een tekort per inwoner dat gefaseerd oploopt naar € 25 in 2024. 

 

Herijking verdeling gemeentefonds 2021 2022 2023 2024
Raming uit begroting 2020 - opgenomen stelpost 50.000 100.000 150.000 150.000
Ingangsjaar 1 uitgesteld van 2021 naar 2022 -50.000     50.000
Raming uit begroting 2020 - opgenomen stelpost (€10 per inwoner)   100.000 150.000 200.000
Voorstel op gefaseerd te verhogen naar €25 per inwoner   100.000 200.000 300.000
Totaal beschikbare stelpost (€25 per inwoner)   200.000 350.000 500.000

 

Het moge duidelijk zijn dat ook deze verhoging van de stelpost geen garantie biedt dat we voldoende ruimte hebben gereserveerd om de gevolgen van de herijking verdeling gemeentefonds op te vangen. Uiteraard zullen wij waar nodig en waar mogelijk onze stem laten horen en zullen we u als raadsleden op de hoogte houden van de laatste ontwikkelingen op dit vlak.

 

Voorgesteld wordt om rekening te houden met een nadelig effect van de herijking verdeling gemeentefonds oplopend van een bedrag van € 200.000 in 2022 oplopend naar een structureel bedrag van € 500.000 vanaf het jaar 2024 en de hiermee gepaard gaande meerkosten te verwerken in het herziene meerjarige saldo. 

Financiële gevolgen coronacrisis

Het Coronavirus en de maatregelen die het kabinet heeft genomen om de uitbraak van het Coronavirus in te dammen, hebben een enorme impact op ons land. Iedereen ervaart de verstrekkende consequenties hiervan voor het functioneren van het dagelijks leven. Zowel privé als op het werk.  De uiteenlopende uitdagingen die deze crisis met zich brengt vraagt ook veel van de gemeente, de bestuurders maar ook van alle medewerkers in onze ambtelijke organisatie Noaberkracht. Naast de maatregelen die het Rijk heeft genomen heeft ook de gemeente Tubbergen een pakket aan maatregelen afgekondigd.

 

Dat de financiële effecten van de verschillende maatregelen onzeker (maar materieel) zullen zijn staat welhaast vast. De verwachting is dat het verder gaat dan wat problemen in de liquiditeit als gevolg van uitgestelde ontvangsten van belastingen, leges, enz. en vooruitbetaalde kosten op het gebied van versterkte bijstandsvoorzieningen c.a.

 

We ontkomen er niet aan om in het eerste programmajournaal 2020 en de perspectiefnota 2021 een eerste beeld te schetsen van de gevolgen van de Coronacrisis voor onze financiële huishouding. Zowel voor het jaar 2020 (incidenteel) als ook een eerste voorzichtige inschatting voor de jaren daarna (dus vanaf 2021).  Om toch enig houvast te hebben bij deze inschattingen gebruiken we de scenario’s van het centraal planbureau (CPB) als uitgangspunt.

 

Scenario’s CPB

Het CPB kwantificeert de impact van het coronavirus op de economie in 2020 en 2021 in vier scenario’s. Een centrale raming zoals het CPB die regulier maakt is in de huidige situatie van grote onzekerheid en bij gebrek aan harde cijfers over de recente ontwikkelingen niet zinvol. Daarom zijn scenario’s gebruikt om de mogelijke orde van grootte van de impact te duiden, en aan te geven waar de voornaamste onzekerheden zitten. De vier scenario’s verschillen vooral in de veronderstelde duur en diepte van de economische crisis. De uitgangspunten die het CPB gebruikt bieden naar onze mening voldoende houvast om de mogelijke gevolgen voor onze financiële huishouding in te schatten. De scenario’s van het CPB zijn als volgt samen te vatten in uitgangspunten.

 

 

We hebben deze uitgangspunten “losgelaten” op de verschillende ramingen in onze gemeentebegroting waarvan wij denken dat ze geraakt worden door de mogelijke gevolgen van het coronavirus. Dit varieert van uitgaven op het gebied bijstand, veiligheid, jeugdzorg, WMO en welzijn tot aan inkomsten op het gebied van de verschillende belastingen, leges en vergoedingen die we ontvangen van het Rijk. Uiteraard hebben we ook rekening gehouden met de verschillende vergoedingen die het Rijk inmiddels reeds heeft bekend gemaakt. Hierdoor ontstaat de volgende financiële vertaling van de verschillende scenario’s:

 

Scenario 1:

 

Omschrijving 2020 2021 2022 e.v.
Werk en inkomen -94.000 -52.000 0
Sociaal domein -107.000 0 0
Veiligheid 0 0 0
Economie -10.000 -75.000 0
Volkshuisvesting en RO -20.000 0 0
Inkomsten - algemene dekkingsmiddelen -160.000 -120.000 -100.000
Algemene uitvoeringskosten -43.000 0 0
Mogelijke compensatie door Rijk 0 0 0
Totaal -434.000 -247.000 -100.000

 

Scenario 2:

Omschrijving 2020 2021 2022 e.v.
Werk en inkomen -116.000 -78.000 -24.000
Sociaal domein -115.000 -50.000 0
Veiligheid 0 0 0
Economie -20.000 -145.000 -10.000
Volkshuisvesting en RO -40.000 -20.000 0
Inkomsten - algemene dekkingsmiddelen -320.000 -260.000 -240.000
Algemene uitvoeringskosten -86.000 0 0
Mogelijke compensatie door Rijk 0 0 0
Totaal -697.000 -553.000 -274.000

 

Scenario 3:

Omschrijving 2020 2021 2022 e.v.
Werk en inkomen -148.000 -114.000 -52.000
Sociaal domein -115.000 -50.000 0
Veiligheid 0 0 0
Economie -20.000 -145.000 -20.000
Volkshuisvesting en RO -40.000 -20.000 0
Inkomsten - algemene dekkingsmiddelen -440.000 -380.000 -360.000
Algemene uitvoeringskosten -86.000 -43.000 0
Mogelijke compensatie door Rijk 0 0 0
Totaal -849.000 -752.000 -432.000

 

Aangezien het college van mening is dat scenario 4 wel uitgaat van bijzonder negatieve uitgangspunten is de berekening van dit scenario op dit moment achterwege gelaten.

 

Samenvattend kan gesteld worden dat de financiële effecten van alle drie de scenario’s behoorlijk zijn te noemen met als belangrijkste verschil dat de klap voor de gemeentelijke financiële huishouding met het oplopen van de scenario’s harder aankomt en langer “nadreunt”.  Daar waar het rijk al specifiek heeft besloten tot compensatie is daar uiteraard rekening mee gehouden.

 

Op basis van de kennis van nu en met inachtneming van de onzekerheden die de huidige situatie met zich meebrengt stelt het college voor vooralsnog uit te gaan van een volledige compensatie van alle "corona kosten" door het rijk.  We  reserveren nu dus geen financiële ruimte maar houden uiteraard wel ons weerstandsvermogen achter de hand. In hoeverre we het weerstandsvermogen moeten aanspreken zal de komende maanden moeten blijken. Dan wordt namelijk duidelijk(er) wat de exacte gevolgen zijn en welke  compensatie het rijk beschikbaar stelt. Het spreekt voor zich dat we u als raad daarvan op de hoogte houden. Zowel in de komende P&C-documenten (2e programmajournaal 2020 en begroting 2021) of indien dat nodig is via afzonderlijke kanalen. 

 

 

In samenvattende zin hebben de beide specifieke mutaties het volgende financiële effect op het herziene meerjarige saldo:

Specifieke mutaties 2020 2021 2022 2023 2024
(Uitstel) herverdeling gemeentefonds 0 0 -100 -200 -300
Totaal specifieke mutaties 0 0 -100 -200 -300

5. Herzien meerjarig saldo na specifieke mutaties

Herzien meerjarig saldo na specifieke mutaties

Rekening houdend met de specifieke mutaties zoals beschreven en toegelicht in de vorige paragraaf ontstaat het volgende herziene meerjarige saldo:

 

Omschrijving 2020 2021 2022 2023 2024
Herzien meerjarig saldo begroting 2020 -280 9 14 213 514
Onttrekking aan algemene reserve 280 0 0 0 0
Totaal mutaties bestaand beleid 239 216 101 91 135
Totaal specifieke mutaties 0 0 -100 -200 -300
Herzien meerjarig saldo na specifieke mutaties 239 225 15 104 349

 

De conclusies en de opmerkingen die in het begin van dit hoofdstuk zijn genoemd blijven van kracht met dien verstande dat een stuk extra behoedzaamheid is ingebouwd waar het gaat om de (nadelige) te verwachten effecten van de herijking verdeling gemeentefonds.  Dit wil echter niet zeggen dat we daarmee alle mogelijke (financiële) risico’s volledig (meerjarig) hebben afgedekt. Zo gaan we er van uit dat we de "corona kosten" volledig door het rijk gecompenseerd krijgen. 

 

Daarnaast kunnen we concluderen dat het herziene meerjarige saldo, gezien de "dunne"  saldi over de jaren 2022 en 2023 nagenoeg geen ruimte biedt voor structureel nieuw beleid. Althans niet anders dan via de gereserveerde stelpost van structureel € 50.000 per jaar met ingang van het jaar 2021. Hierover in de volgende paragraaf meer.

 

Het voordelige saldo over het jaar 2020 (het 1e programmajournaal 2020) wordt gestort in de algemene reserve.  

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met het op begrotingsbasis storten van het voordelige saldo over het jaar 2020 voor een bedrag van € 239.000 in de algemene reserve.

6. Nieuw beleid / intensivering van beleid / actualisatie MAT

Inleiding

In deze paragraaf treft u onze voorstellen op het gebied van nieuw beleid / intensiveringen van beleid en actualisatie van het Maatschappelijk Akkoord Tubbergen (MAT). Het nieuwe beleid / intensiveringen  van beleid hebben vooral betrekking op de basisbegroting terwijl de geactualiseerde maatregelen inspanningen  MAT vooral betrekking hebben op de basisbegroting. Dat wil uiteraard niet zeggen dat nieuw beleid/intensiveringen van beleid niet (kunnen) bijdragen aan de ambities uit het MAT. Zo is bijvoorbeeld het Kwaliteit Openbaar Groen (KOG) tot stand gekomen in samenwerking met de kernen en draagt de uitvoering daarvan wel degelijk bij aan de ambities/maatschappelijke effecten uit het MAT.

Nieuw beleid intensiveringen van beleid – basisbegroting

Zoals we eerder in dit hoofdstuk reeds hebben aangeven hebben we onze structurele ruimte voor nieuw beleid (de stelposten) als onderdeel van de ombuigingsmaatregelen uit de begroting 2020 gehalveerd. Daarnaast biedt ook het herziene meerjarige saldo zoals we dat op dit moment kunnen inschatten biedt, gezien de tekorten in de eerste jaren, geen aanvullende ruimte voor structureel nieuw beleid.

 

Wij hebben echter wel aangegeven dat wij de dekking van een aantal intensiveringen van beleid/ nieuw beleid met een structureel karakter zouden betrekken bij het opstellen van de perspectiefnota 2021. Dat doen wij dus in deze paragraaf. In eerste instantie treft u een overzicht van de kosten aan van de zaken waarvan wij hebben toegezegd deze te zullen betrekken bij het opstellen van de perspectiefnota 2021.

 

Omschrijving 2021 2022 2023 2024
Kwaliteit openbaar groen (KOG) 263 263 263 263
Speeltoestellen 42 42 42 42
Biodiversiteit 214 214 214 214
Handhaving 70 70 70 70
OZB compensatie maatschappelijke instellingen 70 70 70 70
Duurzaamheid 99 99 99 99
Totaal 758 758 758 758

 

Het college ziet kans om met de beschikbare incidentele middelen uit de Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen (RIBAM) ruimte te creëren om zowel in incidentele zin als in structurele zin nieuw beleid/ intensivering van beleid te honoreren.

 

Als eerste stelt het college voor om de onderdelen Kwaliteit Openbaar Groen (KOG), speeltoestellen en biodiversiteit te voorzien van incidentele dekking voor de eerste jaren.  Het college wil hiervoor € 1 miljoen onttrekken aan de RIBAM en hiervoor een nieuwe bestemmingsreserve “onderhoud en vervanging openbaar groen, speeltoestellen en biodiversiteit” in het leven roepen. Op deze manier (een nieuwe reserve) wordt de raad ook in de gelegenheid gesteld om de uitvoering te volgen. In de aanloop naar het opstellen van de begroting 2021 vindt een nadere uitwerking plaats die wat meer onderbouwing moet geven voor wat betreft de besteding van deze reservering.

 

Voor wat betreft de inzet van de structurele stelpost nieuw beleid van € 50.000 per jaar stelt het college stelt in eerste instantie de volgende richtinggevende prioritering voor:

  1. Handhaving
  2. Programma duurzaamheid
  3. OZB maatschappelijke instellingen

 

Deze richtinggevende prioritering wordt in de aanloop naar het opstellen van de begroting 2021 verder wordt uitgewerkt en wordt betrokken bij het opstellen van de begroting 2021 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt.

 

Zaken die sowieso worden berokken bij deze nadere uitwerking zijn de mogelijke inzet van alternatieve dekkingsmiddelen voor het programma duurzaamheid (zowel extern al intern) en een mogelijke fasering van de gevraagde extra inzet.

 

Voorgesteld wordt een nieuwe bestemmingsreserve “onderhoud en vervanging openbaar groen, speeltoestellen en biodiversiteit” te vormen en hier een bedrag van € 1 miljoen in te storten en dit bedrag te onttrekken aan de Reserve Incidenteel Beschikbare Algemene Middelen.

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met de aangeven richtinggevende prioritering voor wat betreft de bestemming van de jaarlijkse structurele stelpost van € 50.000 en deze richtinggevende prioritering nader uit te werken en te betrekken bij het opstellen van de begroting 2021 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt.

Actualisatie Maatschappelijk Akkoord Tubbergen

In deze perspectiefnota wil het college wat nadere richting geven aan de verschillende maatregelen en inspanningen uit het maatschappelijk akkoord Tubbergen, en dan met name voor de kernagenda’s. Het betreft hier dus ook geen nieuwe maatregelen en inspanningen maar bestaande die verder zijn uitgewerkt en gereed zijn voor een volgende fase. Duidelijkheid over financiering en dekking hoort daar ook bij.

 

Het college stelt voor een aantal maatregelen en inspanningen nu van voorlopige dekking te voorzien en over te gaan tot nader uitwerking. Deze nadere uitwerking wordt betrokken bij het opstellen van de begroting 2021 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt of zoveel eerder als dat noodzakelijk blijkt. Uiteraard is dat slechts mogelijk via een afzonderlijk raadsbesluit.

 

Het betreft hier de volgende maatregelen en inspanningen die nu van voorlopige dekking via de reserve Mijn Dorp worden voorzien:

 

Actualisatie MAT - maatregelen / inspanningen kosten
Albergen - Centrumplan 75.000
Fleringen - Herinrichting Entree Fleringen (HEF) - €100.000 reeds beschikbaar 65.000
Geesteren - Bewegingsonderwijs 200.000
Geesteren gebiedsontwikkeling - variant 1 bouw school op huidige locatie  
- Nieuwbouw basisschool €5,7 miljoen - lasten €228.000 via stelpost uit de begroting gedekt
- €650.000 dubbele huisvestingskosten - €340.000 via maatschappelijk vastgoed 310.000
- Grondexploitatie - afboeken boekwaarde huidige school + klein deel woningbouw 1.000.000
Totale kosten actualisatie MAT - maatregelen / inspanningen 1.650.000

 

De voorlopige dekking van maatregelen / inspanningen volgens het geactualiseerde MAT kan worden gevonden in de reserve Mijn Dorp. De stand van deze reserve komt hierdoor op een geactualiseerde stand van € 65.000.   

 

De verwachting is dat de uitvoering van de Herinrichting Entree Fleringen nog dit jaar zijn beslag gaat krijgen vandaar dat wordt voorgesteld de aanvullende bijdrage van € 65.000 via deze perspectiefnota beschikbaar te stellen. Voor de overige actualisaties geldt dat ze nader  worden uitgewerkt en worden betrokken bij het opstellen van de begroting 2021 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt of zoveel eerder als dat noodzakelijk blijkt. Uiteraard is dat slechts mogelijk via een afzonderlijk raadsbesluit.

 

Voorgesteld wordt een incidenteel aanvullend bedrag van € 65.000 beschikbaar te stellen ten behoeven van de Herinrichting Entree Fleringen en dit bedrag te onttrekken aan de reserve mijn Dorp.

 

Voorgesteld wordt de geactualiseerde maatregelen / inspanningen uit het MAT op voorlopige basis voor een bedrag van € 1.585.000 te dekken uit de reserve mijn Dorp en deze nader uit te werken en te betrekken bij het opstellen van de begroting 2020 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt of zoveel eerder als dat noodzakelijk blijkt.

 

Uitgaande bovenstaande besluitvorming is het overgrote deel van de reserve mijn Dorp bestemd. Om een zo juist mogelijk beeld te hebben en houden van de daadwerkelijke incidenteel beschikbare algemene middelen die vrij besteedbaar zijn wordt voorgesteld de reserve Mijn Dorp “om te dopen tot” de nieuwe reserve Maatschappelijk Akkoord Tubbergen. Alle oude en nieuwe bestemmingen in het kader van het MAT lopen via deze reserve zodat het verloop gevolgd kan worden. Naast deze reserve wordt de reserve incidenteel beschikbare algemene middelen gebruikt voor de echte vrije incidentele ruimte.

 

Voorgesteld wordt de naam en het doel van reserve mijn Dorp te veranderen in de bestemmingsreserve Maatschappelijk Akkoord Tubbergen en de dekking van alle maatregelen en inspanningen te laten verlopen via deze reserve.

 

Het nog resterende “vrije” bedrag in de reserve mijn Dorp ten bedrage van € 65.000 te storten in de reserve incidenteel beschikbare algemene middelen.

7. Incidenteel beschikbare algemene middelen waaronder de (belangrijkste) reserves

Inleiding

In deze paragraaf treft u een overzicht aan van onze beschikbare algemene incidentele middelen. Hierbij is rekening gehouden met de voorstellen zoals die eerder in dit hoofdstuk zijn gedaan. Voor een totaaloverzicht van al onze reserves (en voorzieningen) verwijzen wij u naar het overzicht reserves en voorzieningen dat als bijlage bij deze perspectiefnota is opgenomen. In dit totale overzicht zijn ook de reserves (en voorzieningen) opgenomen die op grond van eerdere besluitvorming door uw raad al van een bestemming zijn voorzien.

 

We beginnen echter met de zogenaamde programmagelden (project en procesgelden) voor de verschillende uitdagingen.

Project- en procesgelden duurzaamheid (inclusief energietransitie)

In de begroting 2020 is aangegeven dat nog een bedrag aan programmagelden duurzaamheid beschikbaar is van € 628.000. Inmiddels hebben daar de volgende mutaties op plaatsgevonden:

Gemeente zoekt dak €9.750
Gemeente zoekt dak - aanvragen voorjaarsronde €3.325
Digitaal platform dichtbij duurzaam €10.000
Aanschaf 4 elektrische auto's en 4 elektrische fietsen €7.333
Mobiliteitsplan €12.000
Laadvoorzieningen €6.000
Vasse klimaatproof €2.500
Inkoop van energie €2.000
Totaal €48.908

 

Hierna resteert dus nog een bedrag van ruim € 579.000 aan programmagelden duurzaamheid.

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met de mutaties voor de programmagelden duurzaamheid en de begroting daarop aan te passen.

 

De extra middelen die we via de algemene uitkering hebben ontvangen voor transitievisie warmte, wijkaanpak, energieloketten is nog niet meegenomen in deze opzet.

Project- en procesgelden maatschappelijk vastgoed in relatie tot demografie

In de begroting 2020 is aangegeven dat nog een bedrag van € 153.000 resteert aan programmagelden maatschappelijk vastgoed (project- en procesgeld. Hierin is verwerkt het, bij de begroting 2020 extra beschikbaar gestelde bedrag van € 85.000 voor procesgelden maatschappelijk vastgoed.

 

Inmiddels ligt er de volgende bestemming voor de beschikbare € 153.000:

Interne projectleider Glashoes €72.000
Procesgelden verschillende projecten maatschappelijk vastgoed €74.000
Algemeen - onvoorzien €7.000

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met de aangegeven bestemmingen voor de programmagelden maatschappelijk vastgoed en de begroting daarop aan te passen.

Project- en procesgelden inbreiding voor uitbreiding

In de begroting 2020 is aangegeven dat nog en bedrag van €630.000 resteert aan programmagelden (proces- en projectgeld) inbreiding voor uitbreiding. In 2019 is een incidenteel budget beschikbaar gesteld voor het onderzoeken van de concrete woonbehoefte in alle kernen. Het restant van dit budget ten bedrage van €28.000 is in de begroting 2020 toegevoegd aan het procesgeld inbreiding voor uitbreiding. Daarnaast is besloten de bijdrage herontwikkeling locatie Balkon te Vasse ten bedrage van €161.000 ten laste te brengen van de stimuleringsregeling binnenstedelijke vernieuwing. Hiermee komt het totaal resterende beschikbare bedrag op € 821.000.

 

Bij de bepaling van dit bedrag is rekening gehouden met het eerder ten laste van dit budget beschikbaar gestelde bedrag van € 500.000 voor de stimuleringsregeling binnenstedelijke vernieuwing. Zoals hiervoor is aangegeven is de bijdrage herontwikkeling locatie Balkon te Vasse ten bedrage van € 161.000 ten laste van deze regeling gebracht. Restant €339.000.

Weerstandsvermogen (algemene reserve en reserve grondbedrijf)

In de begroting 2020 is de ratio weerstandscapaciteit evenals voorgaande jaren vastgesteld op 1,5. Deze ratio komt overeen met een benodigde en beschikbare weerstandscapaciteit van € 4.950.000. Na het vaststellen van de begroting 2020 hebben zich een aantal mutaties voorgedaan die we nu in beeld brengen. Ook hebben we reeds rekening gehouden met de voorstellen uit deze perspectiefnota 2021/ 1e programmajournaal 2020. Dit levert het volgende beeld op:

Stand algemene reserve (weerstandsvermogen) - begroting 2020 4.950
Financiele tussenrapportage 2019 97
Jaarverantwoording Tubbergen 2019 1.085
Jaarverantwoording Tubbergen 2019 (BTW) 563
Vrijval reserve riool 1.500
Aankoop grond - Harbrinkhoek -490
1e programmajournaal 2020 - jaar 2020 naar algemene reserve 239
Herzien stand algemene reserve (weerstandsvermogen) 7.994

 

Rekening houdend met de aangegeven mutaties komt de herziene stand van het beschikbare weerstandsvermogen op een bedrag van € 7.994.000. Indien de vastgesteld ratio van 1,5 wordt aangehouden dan is er sprake van een surplus van € 2.994.000 wat gestort kan worden in de reserve incidenteel beschikbare algemene middelen.

 

Wij zijn en blijven namelijk van mening dat het hebben en indien mogelijk aanhouden van voldoende weerstandsvermogen van groot belang is om mogelijke risico’s te kunnen opvangen. De huidige Corona crisis sterk ons in deze opvatting.

 

Voorgesteld wordt in te stemmen met een ratio voor het weerstandsvermogen van 1,5 wat betekent dat een bedrag van € 2.994.000 wordt onttrokken aan de algemene reserve en gestort wordt in de reserve incidenteel beschikbare algemene middelen.

Reserve riool

In de begroting 2017 is een incidenteel bedrag van € 3 miljoen beschikbaar gesteld om de gevolgen van de klimatologische omstandigheden (deels) op te vangen. Aangegeven is dat deze reservering wordt betrokken bij het opstellen van het nieuwe Gemeentelijke Riolerings Plan (behandeling gemeenteraad november 2018. Tijdens deze behandeling is heel nadrukkelijk de link gelegd met de zogenaamde “stress tests” die eind 2019 worden uitgevoerd. De eerste uitkomsten van deze “stress tests” geven een beeld van de noodzakelijke investeringen aan het rioolstelstel. Hieruit blijkt dat rekening houdend met de ruimte in het tarief en de middelen in deze reserve een bedrag van € 1,5 miljoen kan worden onttrokken aan deze reserve. Rekening houdend met deze onttrekking kunnen de tariefstijgingen de komende jaren, anders dan de reguliere indexering volgens het CBS, achterwege kunnen blijven.  

 

Voorgesteld wordt een bedrag van 1,5 miljoen te onttrekken aan de reserve riool en toe te voegen aan de algemene reserve.

Extra weerstandsvermogen Sociaal domein

We hebben in de begroting 2020 nog de beschikking over een bedrag aan extra weerstandsvermogen Sociaal Domein van € 513.000. Naast het opvangen van mogelijke risico’s als gevolg van de uitvoering van het bestaande beleid binnen het sociaal domein is deze reserve ook bedoeld om eventuele faseringsverschillen in de realisatie van het uitvoeringsplan sociaal domein te kunnen opvangen.

Reserve incidenteel beschikbare algemene middelen

Rekening houdend met de besluitvorming uit de begroting 2020 resteert er een bedrag in deze reserve van € 180.000. Rekening houdend met een aantal mutaties op basis van bestaand beleid en de voorstellen uit deze perspectiefnota 2021 (incl. eerste programmajournaal 2020) ontstaat het volgende beeld:

Stand reserve incidenteel beschikbare algemene middelen (RIBAM) 180
Surplus algemene reserve 2.994
Incidentele dekking KOG en speeltoestellen - project -1.000
Voorlopige reservering Leader 2021-2027 -170
Vanuit reserve Mijn Dorp 65
Doorkijk incidentele financiele ruimte 2.069

 

Het onttrekken van het surplus van het weerstandsvermogen betreft een voorstel tot het handhaven van het weerstandsvermogen naar de vastgestelde ratio van 1,5 eerder dit document.

 

De onttrekking voor de reserve onderhoud en vervanging openbaar groen en speeltoestellen en biodiversiteit   is een gevolg van het voorstel in het kader van nieuwe beleid/ intensivering van beleid eerder dit document.

 

De voorlopige reservering voor LEADER (Liaison Entre Actions de Développement de l’ Economie Rurale) Noordoost-Twente heeft te maken met een mogelijk vervolg. LEADER kent een periode van 7 jaar, de huidige periode loopt van 2014-2020. Er ligt een voorstel om gebruik te maken van een transitie periode (2 jaar), deze jaren maken onderdeel uit van de totale 7 jaren (2021-2027). De provincie Overijssel heeft middelen gereserveerd voor deze nieuwe LEADER-periode. Om als gebied hiervoor in aanmerking te komen dient lokale cofinanciering door gemeenten worden gedaan (begrotingsbehandeling 2021). Voor de drie plattelandsgemeenten in Noordoost-Twente betekent meedoen een cofinanciering ca. € 170.000,- per gemeente (€ 25.000,-/gemeente/jaar). Een nadere verkenning wordt gedaan naar initiatieven uit de samenleving die passen binnen LEADER. De uitkomsten hiervan worden betrokken bij het opstellen van de begroting 2021 waar de daadwerkelijke besluitvorming plaatsvindt.

 

De storting vanuit de reserve mijn dorp heeft betrekking op het resterende deel van deze reserve.

Totaaloverzicht beschikbare algemene incidentele middelen

In deze paragraaf treft u een overzicht aan van de beschikbare algemene incidentele middelen. Hierbij is rekening gehouden met de verschillende voorstellen en denkrichtingen die in deze perspectiefnota (inclusief het eerste programmajournaal 2020) zijn gedaan.

Beschikbare algemene incidentele middelen miljoen €
- Weerstandscapaciteit ratio 1,5 (algemene reserve en reserve grondbedrijf) 4,950
- Extra weerstandsvermogen Sociaal domein 0,513
- Reserve riool 1,500
- Project- en procesgelden duurzaamheid 0,579
- Project- en procesgelden maatschappelijk vastgoed in relatie tot demografie 0,000
- Project- en procesgelden inbreiding voor uitbreiding 0,821
- Reserve incidenteel beschikbare algemene middelen 2,069
Totaal beschikbare algemene incidentele middelen 10,431

8. Uitgangspunten voor het opstellen van de begroting 2021

Uitgangspunten begroting 2021

In deze notitie zijn de algemene uitgangspunten opgenomen die gebruikt worden bij het opstellen van de begroting 2021.

 

Indexering prijsgevoelige budgetten

We gaan niet uit van een recht evenredige aanpassing van alle prijsgevoelige budgetten maar kiezen voor het reëel ramen van deze budgetten. Dat wil zeggen rekening houden met de werkelijke (ervarings-) cijfers over de laatste jaren verhoogd met het laatst bekende cijfer voor wat betreft de aanpassing van de prijzen volgens het CBS over de periode juni – juni  (was vorig jaar 1,6%). Dit hoeft dus niet in alle gevallen een verhoging van de raming te betekenen maar kan zelfs een verlaging van de raming betekenen.  

 

De centraal geraamde stelpost prijscompensatie betrekken we eveneens bij het opstellen van de begroting 2021. Normaal gesproken valt deze vrij ter dekking van de hogere lasten als gevolg van de indexering van de prijsgevoelige budgetten.

 

Indexering lonen

De nieuwe cao gemeenteambtenaren is inmiddels verwerkt in de begroting 2021 van Noaberkracht en deze wordt verwerkt in de begrotingen 2021 van de beide deelnemende gemeenten. Deze cao kent een looptijd tot 1 januari 2021.

 

Voor wat betreft de (meerjarige) indexering van de lonen hebben we in de begroting van Noaberkracht een jaarlijkse stijging meegenomen van 1,5%. Daarnaast staat in de beide gemeenten nog een stelpost van 0,5%. Per saldo hebben we dus een budgettaire ruimte van 2%.

 

Let wel: Niet alleen de salarissen in Noaberkracht maar ook de salarissen van de griffie (in de gemeentebegroting) moeten worden aangepast.

 

Verbonden partijen

De (financiële gevolgen van de) begrotingen 2020 van de verbonden partijen zijn via de perspectiefnota (inclusief 1e programmajournaal 2019) opgenomen in de (meerjaren)begrotingen van de beide gemeenten. Hier hoeven we dus niets meer aan te doen.

 

Meerjarig, dus vanaf 2021, hebben we ook stelposten loon-en prijscompensatie opgenomen voor de verbonden partijen.

 

Subsidies

Voor wat betreft de subsidies volgen we de afspraken uit de verordening of indien van toepassing specifiek gemaakte (prestatie) afspraken.

 

Rente

In beide gemeenten gaan we uit van de omslagrente. Dit is voor de gemeente Tubbergen 1,5% . Dit percentage gebruiken we voor de bestaande activa en investeringen maar ook voor nieuwe investeringen.

 

Voor het grondbedrijf gaan we uit van de volgende percentages:

Tubbergen 0,5%

 

OZB Tubbergen

Voor het indexeren van de ozb tarieven gaan we uit van het consumentenprijsindexcijfer over de periode juni tot en met juni voorafgaand aan het betreffende begrotingsjaar. Voor het jaar 2021 gaat het dus om het prijsindexcijfer juni 2019 – juni 2020. Deze prijsindex is op dit moment dus nog niet bekend.

 

De OZB tarieven worden zodanig aangepast dat er voor het jaar 2021 een meeropbrengst wordt gerealiseerd conform het consumentenprijsindexcijfer (exclusief areaalaanpassing). Voor de jaren daarop gaan we uit van een meeropbrengst van 1% (exclusief areaalaanpassing), Daarnaast is als onderdeel van de ombuigingsmaatregelen besloten om extra OZB inkomsten te genereren door een extra structurele stijging van 1% per jaar met ingang van het jaar 2021. Daadwerkelijke besluitvorming hierover vindt van jaar tot jaar plaats in de desbetreffende jaarbegroting.

 

Rioolrecht

In het Gemeentelijk Riolerings Plan 2019-2022 (GRP) dat eind 2018 is vastgesteld is aangegeven dat de tarieven de komende jaren verhoogd moeten worden met € 5 per jaar plus de inflatie. Hierbij is uitdrukkelijk aangegeven dat de daadwerkelijk noodzakelijke verhoging afhankelijk is van de toekomstige investeringen als gevolg van de zogenaamde klimaatadaptie. De “stresstests” die in het najaar van 2019 worden uitgevoerd moeten  hierover duidelijkheid geven. Inmiddels heeft een eerste doorrekening van de financiële gevolgen van deze stresstests plaatsvonden. De noodzakelijke (extra) investeringen (voor Tubbergen € 500.000 per jaar en voor Dinkelland € 700.000 per jaar) kunnen de eerste jaren worden opgevangen binnen het tarief in samenhang met de reserve riool.  Wel blijven we de tarieven verhogen met de inflatiecorrectie volgens de cijfers van CBS.

 

Afvalstoffenheffing

De tarieven afvalstoffenheffing zijn 100% kostendekkend. De daadwerkelijke hoogte van de tarieven kunnen we pas bepalen als alle uitgaven en alle inkomsten (zonder de opbrengsten uit de tarieven) op basis van een reële raming zijn verwerkt.

 

Toeristenbelasting

Geen indexatie

 

Forensenbelasting

Geen indexatie

 

Reclamebelasting

Geen indexatie